(10 - 18 aug. 1999)
F. F. van der Meer ©
Dinsdag, vlieghaven Gardermoen, half bewolkt.
Ik kom aan om 9:45 met de trein uit Porsgrunn en heb al ruim drie en een half uur in de trein gezeten. De bus van Jan Pedersen's vervoerbedrijf heb ik al gauw ontdekt en ik vraag Per W., de chauffeur, om een naambordje van Try Norway (de noorse partner, die mij gehuurd heeft) om me te identificeren in de aankomsthal. Daar staan ze al, ze hebben maar een paar minuten gewacht. Ik schud handen met de nederlandse reisleider O. en de andre leden van het gezelschap. Dan de koffers in de bus en nog even het toilet opzoeken. In de bus een paar instructies en al spoedig zijn we op weg, eerst naar Hamar via Eidsvoll.
Onderweg vertel ik wat over noorse gebruiken op het gebied van de etikette, het gebruik van voornamen, dat meer gewoon is, en het gebruik van academische tittels, dan minder gewoon is. Als we zover zijn stoppen we even voor het Gebouw van Eidsvoll zonder uit de bus te gaan. Onervaren als ik ben, ben ik bang om op het tijdschema achter te komen. In de bus vertel ik wat over het einde van de vierhonderd jarige Deense overheersing in 1815 en over de nieuwe grondwet die hier op 17. Mei 1815 is verkondigd. Deze datum is nog steeds de Noorse nationale feestdag, de Grondwetsdag. De Noorse Grondwet heeft een speciale charme door zijn eenvoudigheid in het taalgebruik. Ik geef een voorbeeld van de paragraaf die bepaalt dat niemand veroordeeld zal worden zonder wet, niemand gestraft zonder veroordeling en dat 'pijnlijk' verhoor niet zal plaatsvinden. De hele paragraaf bestaat uit maar drie zinnen, kort en bondig.
We zijn intussen aan Minnesund voorbij gereden en hebben nu Mjoesa (het Mjoesmeer) aan onze linker zijde. Het weer is nu prachtig en de deelnemers beginnen te begrijpen dat dit een fantastische tocht kan worden. Het meer is zo'n 300 kwadraatkilometer groot en zal ons bijna de gehele dag begeleiden. Ik vertel van de diepte, meer dan vierhonders meter, van de auto's die er in gegooid zijn om verzekeringsbedrog te verschuilen. Van de laagaasild, die geen sild (=haring) is, maar een zalmvis, waarschijnlijk ingesloten in het meer, door de stijging van de bodem of door het ijs. De vis 'ziet' het Mjoesmeer als de 'zee' en gaat de rivier Laagen op om te paaien.
Het landschap is heuvelachtig en het is duidelijk dat hier welvarende boerderijen liggen. We zien veel korenakkers, maar weinig vee. Een half uur voor de afgesproken tijd komen we aan bij de Olympiahal, het Vikingschip, in de buitenwijk van Hamar. Het is geen probleem om de rondleiding meteen te krijgen en een dame verteld ons in het Duits van de uitdagingen voor het ontwerp, de realisatie met de enorme lijmhouten spanten, die er voor zorgen dat de hele hal vrij is van pilaren. We krijgen ook te horen van de overstroming in 1995, toen er een dijk rond de hal werd opgegooid om de hal te beschutten voor het hoge water. We maken een ronde door de hal, maar komen niet in de buurt van Ritsma's rondetijd.
We hebben een half uur over voor de lunch, en ik besluit dat we dan net de
Domkerkruïnes kunnen bekijken voor het eten. Als we naar het restaurant rijden
zie ik de steen waarop de hoogwaterstanden ingegrift staan. Snel de bus uit om
een foto te maken.

Ik kan vertellen dat de hoogste waterstanden in 1789 en in
1860 ongeveer twee meter hoger zijn geweest dan in 1995. Als dat weer gebeuren
zou, zou het grapje, van dat het Vikingschip omgekiept is en op de golven van
het Mjoesmeer richting Eidsvoll gedreven is, wel eens waarheid kunnen worden...
In het restaurant komt de kok met een verrassing: hij heeft geen Laagaasild, maar wel kuit ervan en heeft voor deze aanleiding vijfentwintig canapé's gemaakt. Smaakt geweldig!
Op weg naar Lillehammer rijden door Brummundal, waar de grootste spaanplaten fabriek in Europa staat. Het terrein is hier zacht glooiend en de boerderijen zien er welvarend uit. Hier plukken ze de vruchten van de steunmaatregelen die in Noorwegen voor de landbouw zijn doorgevoerd. In de buurt van Lillehammer wordt het Mjoesmeer steeds smaller, om later in de rivier Laagen over te gaan. Het volksmuseum Maihaugen is ons volgende doel.
Hier zijn typische boerderijen en kerkjes uit het hele Gudbrandsdal verzameld en onze gids vertelt in een laatmiddeleeuwse boerderij van de gewoontes toendertijd. We zijn nu overgestapt om de gidsen in het Noors te laten vertellen en ik vertaal alles. Een beetje wennen in het begin, maar ik heb het gauw te pakken en het werkt uitstekend. Als we met z'n allen in de klas van 1840 zitten krijgt de gids er werkelijk plezier in. We leren de drie letter in het noorse alfabet die we in Nederland niet kennen, mogen ze leren gebruiken, en zingen op verzoek het liedje van de twee beren die broodjes smeren. Na nog een ronde in de staafkerk, en dan is ze al bijna anderhalf uur met ons bezig geweest, het dubbele van een gewone rondleiding.
Nu nog de laatste etappe, de rit van Lillehammer naar Skeikampen Hotel. Ik heb voor de gelegenheid mijn hoogtemeter te voorschijn gehaald en rapporteer als we bij Tretten over de rivier de Laagen rijden, dat we nu op 190 m hoog zitten. En nu gaat het stijgen, 300 m, 500 m, hier zijn geen korenvelden meer. Als we de 700 m passeren zien we dat de bomen schaarser beginnen te worden. De boomgrens ligt hier tussen de 800 m en 900 m boven zeeniveau. En nu komt op 800 m het hotel in zicht. Het ziet er keurig uit en al spoedig zijn we op onze kamers.
Ga naar dag-2